Défilé als zielenheil

Gisteren overkwam me iets vreemd… Completely taken off guard verbeet ik mijn tranen toen ik naar het défilé van de nationale feestdag zat te kijken. Ik die groot werd in een huis waar er regelmatig schamper gereageerd werd op onze nationale driekleur, het koningshuis werd opgevoerd als een klucht en het leger als een troep soldaten die al lang niet meer relevant was, net ik verbeet mijn tranen. 

Het moet gezegd, er speelde wat. De dagen in aanloop naar de défilé waren emotioneel verwarrend geweest. De rampspoed van de watersnood en het grote onderliggende vraagstuk van de klimaatwissel namen veel ruimte in mijn hoofd en lijf in. Het liet me simpelweg niet los, als kleefkruid dat je niet afgeschud krijgt.

De setting vraagt om stilte: ik zit tenslotte in de regiekamer van de televisiestudio waar mijn man de hele show zo dadelijk aan elkaar praat. Ik bereid me mentaal voor op twee uur liefdevolle duty van supporteren voor mijn man. Vandaag ben ik er voor hem (tot voor hij op antenne gaat, stel ik hem nog wat vragen, check zijn schmink en zijn tenue, glimlach bemoedigend, breng hem nog de laatste succeswens van een goede vriend over en knipoog goed getimed een ‘off you go’). Niet meer, niet minder. Het begin is gewoon heerlijk ouderwets, op de tonen van de Brabançonne krijgen we luchtbeelden van het Koninklijk Paleis. Niets vermoedend leun ik achterover. Twee uur kostuums en auto’s kijken, denk ik.

Maar dat was buiten het hoofdpersonage van de mens gerekend. Het begon al bij het voorstellen van de eretribune. Seated was daar voor het eerst het bastaardkind en de halfzus. Plotsklaps omarmd door het vorstenhuis en op de nationale feestdag zomaar even een plaats toegewezen tijdens de show. De commentaarstem, een militair, vertelt hoe bijzonder dat wel is en ik voel een eerste druk op mijn adamsappel. Soldaten paraderen, met sierlijke kostuums waar ze vlot 150 jaar geleden mee vochten voor het vaderland. En dan zijn er de kadetten van de militaire school. Enkele met een rokje. De camera zoomt in op één van de rokjes. Het is Elisabeth, de kroonprinses die haar vaderland dient als soldaat, die stevig mee marcheert op de maat en zonder dat het gespeeld overkomt warm in de richting kijkt van de koning en de koningin. De commentaarstem, mijn man deze keer, vertelt hoe de prinses naar haar mama en papa kijkt en hoe die mama, onze koningin, het niet droog houdt en zichtbaar huilt. Hoe futiel ook, hoe weinig wereldschokkend ook, ik word er instant week van. Ik zie niets dan schoonheid: een jonge prinses marcheert mee met de jongens, geëmancipeerd en levenslustig; een koningin kijkt naar haar dochter en toont zich als mens. Twee keer sterke personen. Een koninklijke pluim voor zoveel menselijkheid. Ik zoek ondertussen niet naar een pluim maar naar een zakdoek en kijk verder.

Het militaire gedeelte loopt nu op zijn einde en het tweede deel van de show kan beginnen. Het burgerlijk gedeelte zoals dat blijkbaar nogal plastisch wordt genoemd. Deze keer krijgen we filmpjes te zien van mensen allerlei die andere mensen helpen. De vertrouwde beelden van de ziekenhuizen en de woonzorgcentra passeren. Maar ook de nieuwere beelden van de watersnood en wat getuigenissen van vrijwilligers die hulp bieden. En dat alles gelardeerd met kleine optredens te beginnen met twee woordkunstenaars, die slam poetry brengen die schoon en tegelijk krachtig is. Maar evengoed een liedje dat diep snijdt van Loic Nottet. No need to say… in the middle van al die rake woorden en melancholische noten, voel ik een tweede dijkbreuk in mijn keel. Wanneer de filmpjes finaal inzoomen op de hulp van mensen over de taalgrenzen heen, dan knapt het bij mij. 

Net als ik denk dat ik ga huilen, na die vleug menselijkheid (Delphine op de eretribune), dat schijfje moederliefde (Mathilde pinkt een traan weg), die portie geschiedenis as it happens (Elisabeth die mee marcheert als soldaat), die dosis grote solidariteit (de vrijwilligers tijdens de watersnood), net dan komt daar uit de regiekamer een streepje humor. De producer roept in het oor van mijn man: ‘zeg, Jens, aan het einde, dan zoomen we in op jou als presentator en zet jij je als enige fier recht om de Brabançonne mee te zingen, goed?’ Hilariteit in de studio en de regiekamer. Het perfecte einde voor mij… Ik zeg het u, de nationale feestdag, dat is in moeilijker dagen pure balsem voor de ziel, mét dat snuifje humor dan wel. 

Helena Winderickx