Dinsdagen zonder olifant
Het leek een dinsdag als een ander. Of we deden toch beiden goed alsof. Tot ze zoals elke dinsdag vroeg “Hoe is met jou, Helena?” (sic). De vraag kwam van mijn Litouwse poetsvrouw die onze taal best wel beheerst maar soms al eens een woord weglaat waardoor haar uitspraken kracht worden bijgezet. De vraag was eenvoudig, het antwoord complex. Want hoe voelde ik mij nu eigenlijk?
Sluimerende onrust. Al dagen. Dat voelde ik. Maar wat dat precies met me deed, dat klaarde ik nog niet uit. Ik bracht het nog niet onder woorden. En dat is voor wie mij kent best een vreemd niemandsland, een woordeloze staat. Maar woorden schieten me zelden tekort dus het antwoord kwam prompt en was spontaan. Dat wat een nieuwe tweede golf lijkt te worden, me onrustig maakte. Dat ik tob over wat de toekomst brengen zal. En dat ik eigenlijk wel wat bang ben om wat er allemaal kan gebeuren.
En weer komt daar dat rake Nederlands van haar. “Nee, Helena, beter niet zeggen. Ik zo denken. Liever niet over spreken. Ik zo denken, ja. Beter niet zeggen, ja.” Ik begrijp wat ze bedoelt. Niet dat ik het een gezond advies vind. Maar ik begrijp haar redenering en zie het al dagen rondom me gebeuren. Hoe niemand spreekt over het emotionele effect van deze terugval.
En plots schieten haar ogen vol. Ze wilde het er niet over hebben maar onbedoeld weekte ik haar angstige gevoel los. Ze verbijt haar tranen en ze vertelt hoe ze haar broer dagen niet kon bereiken. Die trok weg uit Litouwen naar de Verenigde Staten. Daar verblijft hij zonder zijn vrouw en kinderen tot hij een green card kan bemachtigen. Maar plots konden noch vrouw, noch mama, noch zus hem bereiken. En toen dat eindelijk wél lukte, bleek dat hij al dagen doodziek was en niet werd aanvaard in het ziekenhuis. Ze leek ondertussen over haar grootste angst heen nu hij aan de beterhand was. Maar gerustgesteld was ze nog niet.
Ik zag de emotie van een vrouw die duidelijk nog nauwelijks haar angst verwoord had. Dat had ze ook net nog gezegd, “liever niet over spreken”. En toen daagde het me. Haar opgekropte emotie was exemplarisch voor waar heel wat mensen vandaag mee worstelen.
In hoeverre breng je die onrust, moedeloosheid, frustratie, angst, verdriet misschien zelfs, onder woorden? Niet, lijken de meeste mensen te denken. We spreken graag over de genomen overheidsmaatregelen, hebben een oordeel over de jonge mensen die met veel samenkomen en we hebben het ook over de zware tegenslagen van andere mensen, getroffen omdat ze geen inkomsten meer hebben of omdat ze zwaar ziek werden. Maar zeggen hoe we ons voelen? Nee, ho maar, dat voelt toch wat ongemakkelijk. We dansen rond die olifant in de kamer alsof er niets aan de hand is. En trouwens, als we allemaal samen gewoon doen alsof er niets aan de hand is, dan is er toch ook niets aan de hand?
Mij doet het denken aan dat psychosociale experiment waarbij een onderzoeker een reeks acteurs en één testpersoon samenbrengt in een klaslokaal onder het mom van een discussiegroep. Terwijl de groep een schriftelijke enquête moet verwerken, komt er vanonder de deur rook in de kamer. Geen van de acteurs verroert een vin. De testpersoon kijkt rondom zich, ziet dat iedereen netjes verder noteert en besluit ook niets te ondernemen. De rook zal wel niet alarmerend zijn als niemand anders bewogen lijkt. Best wel risicovol, besluit de onderzoeker.
Ik kan het niet meer met hem eens zijn. Best wel risicovol, dat we doen alsof er geen rook is en niet voor de dag komen met onze gevoelens. Want ooit betalen we er de tol voor. Ik vraag mensen sinds de tranen van mijn poetsvrouw heel bewust hoe ze zich voelen bij deze tweede golf … en ik krijg al elke keer een antwoord met inhoud.
Misschien moeten we allemaal naar elkaar vragen om zo ons gezamenlijk welzijn te waarborgen. Als dat geen goed perspectief zou zijn in deze onzekere tijden. Want ook de volgende dinsdagen worden nog lang geen dinsdagen als een ander.