Luister-Fluister-Lief-Brief
Misschien kunnen we pennenvrienden worden, zeg ik al lachend tegen mijn vader. Die mailde me al enkele dagen na elkaar lange reflecties over mijn kindertijd. Een epode als antwoord op mijn ode, verklaarde hij.
Ik heb nooit een pennenvriend gehad, bedacht ik me. Het had nochtans gekund. Mijn hele kinder- en tienertijd bracht ik brieven schrijvend door. Een tijdje had ik zelfs een schrijfverbond, een periode waarin een vriendin en ik elkaar aanschreven met de Egyptische tekens uit “De sigaren van de farao” van Kuifje. Quasi naadloos aan elkaar gebreid met mijn eerste liefdesbrieven die ik met een zekere koudheid bij het oud papier gooide eens de liefde over was. Er volgden enkele internaatsjaren waarin post als zuurstof binnen kwam in een voor mij claustrofobische omgeving.
Ook later nog bleef ik schrijven. Tot in mijn studies toe schreef en kreeg ik brieven. Niet dat ik aan mijn bureau gekluisterd zat. Ik was vaker op stap dan thuis. Maar toch werd er veel gepend. En al die tientallen jaren en wat spaarzucht samen, leverde me dat uiteindelijk toch vijf dozen vol brieven op. Het is voor mij trouwens niet ongevaarlijk om die te openen. Ik verdwijn erin, word teruggeworpen in de tijd, kom oude vrienden, voorbijgegane liefdes, vervlogen tijden tegen, daar in die grote schoendozen. Soms lach ik dan eens luidop. Waarom ik aan het lachen ben, vraagt de zoon dan vanuit zijn kamer. En soms vecht ik met tranen. “Mama, is er iets?” vraagt de dochter die per toeval binnenkomt. Dat ik het verleden herbeleef, zeg ik. En dat dat me wee maakt.
Elkaar ontroeren was nochtans nooit de intentie waarmee we die brieven schreven. Het is dat we elkaar simpelweg iets te vertellen hadden. Soms waren dat eenvoudige vertelsels vanop vakantie of vanop kot. Soms waren dat ontboezemingen of lange reflecties. En die laatste vinden hun weg nu eenmaal makkelijker op papier. Daar op dat blad word je niet onderbroken in je denken, in je betoog. Dat lijkt misschien een wat dromerige uitspraak, maar ze stoelt ergens op. Ik kom uit een erg groot nest, moet je weten. Als benjamin van zes was het vechten om wat spreektijd. Het heeft me te veel vechtlust om het woord opgeleverd. Dat verklaart mogelijk waarom ik zo van brieven houd. Een brief valt je nooit in de rede. Maar misschien sterker nog dan dat… je bent er quasi zeker van dat de ontvanger van je boodschap ook naar je luistert. En zoals dat ging, kwam er dan soms pas weken nadien een antwoord op die brief waarin je zelfs fluisterend gehoord werd. Dat er tijd gemaakt werd om elkaar te beluisteren, daarin zit de schoonheid voor mij. De brief als luisterstop, als dat geen mooi beeld is.